Uw zoekacties: Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
Zoektips!

Wildcards kunnen het zoeken vergemakkelijken:

  • Een ? (vraagteken) vervangt een letter
  • Een * (sterretje) vervangt een aantal letters
  • Door een $ (dollarteken) voor een zoekterm te zetten, zoekt u naar woorden die op elkaar lijken.

Meer zoektips vindt u hier.

 
 
Geschiedenis van de archiefvormende organen
Reeds in vroege tijden werden plannen gemaakt om de Zuiderzee af te sluiten en droog te leggen. Pas in de 19e eeuw kregen deze vastere vorm, toen een staatscommissie in 1892 adviseerde om het ‘Plan Lely’ uit te voeren. Het duurde echter nog tot 14 juni 1918 voordat onder het ministerschap van Lely de Wet tot Afsluiting en Droogmaking van de Zuiderzee tot stand kwam. *  De ernstige overstromingen van Noord-Holland in 1916 en de voedselschaarste tijdens de Eerste Wereldoorlog hebben de doorslag gegeven voor het nemen van deze beslissing. Dat die grote gevolgen voor bepaalde bevolkingsgroepen zou hebben was vooraf duidelijk. De Zuiderzeesteunwet 1925 *  Beide, wet en besluit ondergingen in de loop der jaren menige wijziging, evenals de regelingen die werden getroffen tot uitvoering van het besluit. Een belangrijke wijziging van de Zuiderzeesteunwet vond plaats in 1962. De wet had daarna namelijk niet slechts het karakter van een regeling van tegemoetkoming in de schade tengevolge van de drooglegging, ze was tegelijkertijd een werktuig geworden om de IJsselmeervisserij te saneren.
Op grond van artikel 3 van de Zuiderzeesteunwet werd bij Koninklijk besluit d.d. 18 december 1924 de Generale Commissie ingesteld. *  . Deze had als taak de minister van Waterstaat, al dan niet gevraagd, te adviseren over de te nemen maatregelen ter tegemoetkoming in de schade. Tevens was zij belast met de voorbereiding en uitvoering van bovengenoemde maatregelen.
Aanvankelijk bracht de commissie adviezen uit aan de minister over het verlenen van tegemoetkomingen maar de beslissingen over deze materie werden op het ministerie genomen. Geleidelijk werd haar de bevoegdheid verleend om zelf meer beslissingen te nemen binnen de grenzen die de minister aangaf. Door deze maatregel werd verwacht dat de aanvragen sneller afgehandeld konden worden. De omvang en de vele belangengroepen die in de commissie vertegenwoordigd waren maakten een snelle besluitvorming echter onmogelijk.
De minister besloot daarom de Generale Commissie te reorganiseren en een dienst in te stellen die belast werd met de uitvoering van de wet. Bij Koninklijk besluit van 7 januari 1932 werd, onder verantwoording van de minister van Waterstaat, de Rijksdienst ter Uitvoering van de Zuiderzeesteunwet ingesteld en had als taak ‘De voorbereiding en uitvoering van de ingevolge de Zuiderzeesteunwet te nemen maatregelen ter tegemoetkoming aan de Zuiderzeevissersbevolking en andere personen wegens de schade, welke de afsluiting der Zuiderzee hun mocht berokkenen, voor zover deze werkzaamheden door Onze Minister van Waterstaat aan dezen Rijksdienst worden opgedragen’ *  .
De volgende vormen van tegemoetkoming waren te onderscheiden:
a. Geldelijke tegemoetkoming in de kosten bij (om)scholing.
b. Maatregelen ter verkrijging en tot behoud van werk.
c. Kredietverlening ten behoeve van voortzetting, verplaatsing of omvorming van eigen bedrijf of inrichting tot een nieuw bedrijf.
d. Voorkeursbehandeling bij uitgifte van visvergunningen op het IJsselmeer.
e. Geldelijke tegemoetkoming wegens waardevermindering van eigendommen of gederfd levensonderhoud.
De commissie behield haar adviserende en beleidsmakende taak ten aanzien van de uitvoering van de Zuiderzeesteunwet.
In 1949 werd een onderzoek ingesteld naar de overdracht van de werkzaamheden van de dienst aan het ministerie van Sociale Zaken omdat de Zuiderzeesteunwet qua opzet en karakter veel overeenkomsten had met algemene sociaal-economische voorzieningen. *  . Uit het onderzoek bleek dat de uitvoering van de Zuiderzeesteunwet goed bij de taak en organisatie structuur van het ministerie van Sociale Zaken zou passen. Gezien het feit dat de werkzaamheden verbonden aan de uitvoering van de wet sterk in betekenis zouden afnemen, werd besloten om de werkzaamheden niet over te dragen.
In begin jaren zeventig liep het aantal mensen dat een beroep op de Zuiderzeesteunwet kon doen sterk terug, althans in vergelijking tot de jaren direct na de afsluiting van de Zuiderzee en de jaren na het gereedkomen van de eerste inpolderingen. Bij Koninklijk besluit van 10 juni 1976 werd daarom besloten de rijksdienst op te heffen. Vanaf dat moment werden alle taken overgedragen aan het bureau Uitkeringen van de hoofddirectie Waterstaat.
Geschiedenis van de archieven
Nadat het besluit tot reorganisatie van de Generale Commissie en de instelling van de rijksdienst was genomen, werd een aantal taken van de commissie overgeheveld naar de rijksdienst. De archiefbescheiden die betrekking hadden op deze taken werden van de taakvoorganger overgenomen.
Het archief van de dienst was op de volgende wijze geordend: naast een aantal series doorslagen van uitgaande stukken, jaarverslagen, agenda’s en begrotingen werd een onderwerpsgewijze ordening aangetroffen.
Binnen de onderwerpen werden de archiefstukken chronologisch geordend, alhoewel dit niet consequent is doorgevoerd.
Na de opheffing van de dienst werden de archiefbescheiden overgebracht van de standplaats Amsterdam naar een semi-statisch archiefdepot van het Ministerie van Verkeer en Waterstaat. De afgesloten persoonsdossiers van belanghebbenden werden door de administratie van de dienst voor vernietiging aangewezen. De Stichting voor het Bevolkingsonderzoek in de drooggelegde Zuiderzeepolders/Sociaal Historisch Centrum voor Flevoland toonde belangstelling voor de dossiers. Daarom werd besloten de dossiers over te dragen aan het bovengenoemde centrum, welke nu gevestigd is in Lelystad. In 1977 werd door een medewerker van het ministerie een toegang op het archief gemaakt in de vorm van een plaatsingslijst. De niet afgesloten dossiers werden overgedragen aan de taakopvolger, het bureau Uitkeringen van het ministerie. Het archief was voor de rest compleet.
Het archief van de Generale Commissie was op systematische wijze geordend. De code die er voor gebruikt werd, was afgeleid van de Universele Decimale Classificatie. Het archief maakte een complete indruk. Door de administratie werden geen archiefbescheiden vernietigd. Omstreeks 1977 werd het archief van de commissie over de jaren 1925-1975 overgebracht naar het bovengenoemd archiefdepot van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. Daar werd het archief voorzien van een plaatsingslijst.
In 1991 werden de archieven ter bewerking aan de Centrale Archief Selectiedienst aangeboden.
Verantwoording van de bewerking
De archieven omvatten de periode 1925-1976 en waren afkomstig uit één der depots van de afdeling Semi-statisch Archief van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. De begincesuur van de Generale Commissie valt samen met de instellingsdatum namelijk 18 december 1925. Als eindcesuur werd gekozen de laatste vergaderdatum van de commissie die in dit archief werd aangetroffen namelijk 8 januari 1975.
De begincesuur van het archief van de rijksdienst valt samen met de instellingsdatum namelijk 7 januari 1932. De eindsecuur werd gesteld op 10 juni 1976, de opheffingsdatum van de dienst.
Uit vooronderzoek in de archieven bleek dat het archief van twee archiefvormende instanties afkomstig was, te weten 10,6 meter bescheiden van de commissie en 26,5 meter van de dienst. Gezien het feit dat beide organisaties nauwe contacten met elkaar onderhielden bij de uitvoering van hun werkzaamheden werd besloten om de archieven in één inventaris uit te brengen.
Tijdens de selectiefase van de 37,1 meter werden de archieven gesplitst in 25.9 meter te vernietigen en 11.2 meter te bewaren bescheiden, hetgeen een vernietigingspercentage van 69.8 opleverde. De selectie vond plaats aan de hand van de vernietigingslijst van 14 april 1977/NR 21696 van het ministerie van Verkeer en Waterstaat. De voor vernietiging in aanmerking komende bescheiden zijn afgevoerd naar Lignac en Levison BV te Apeldoorn en om aldaar daadwerkelijk vernietigd te worden.
In de beginfase van de inventarisatie werd duidelijk dat de oude ordes niet geschikt waren om als basis voor het schema te dienen omdat deze onderling nogal van elkaar verschilden. Gekozen is voor een schema dat afgeleid is van de indeling van de Zuiderzeesteunwet. Commissies waarvan de Generale Commissie of de rijksdienst het secretariaat voerden zijn achter in de inventaris op genomen. De voor bewaring in aanmerking komende bescheiden naar de Rijksarchief Flevoland te Lelystad.
Geraadpleegde bronnen en literatuur
Nederlands ArchievenbladGroningen: Koninklijke Vereniging van Archivarissen in Nederland, jaargang 96 nummer 1.
Staatsalmanak voor het Koninkrijk der Nederlanden’s-Gravenhage: Martiuus Nijhoff, 1933-1975 Staatsuitgeverij, 1958-1977.
Inventaris
Kenmerken
Datering:
(1926) 1932-1976 (1977)
Omvang in m.:
4,75
Auteur toegang:
Centrale Archief Selectiedienst
Auteur:
Centrale Archief Selectiedienst
Openbaarheid:
Deels openbaar
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS